Toen ik je vroeg waar ik was,
Zei je: recht voor mij.
Terwijl ik niet voor of achter je stond,
Maar eigenlijk aan je zij.
Toen ik je vroeg wie ik was,
Keek jij opzij en zei mijn naam.
Terwijl ik juist die ene keer,
Recht voor je was gaan staan.
Toen de sneeuw uit de hemel viel,
En de winter begon.
Keek je naar de grauwe lucht,
En riep, daar is de zon!
Toen ik op een dag aan je vroeg,
Weet je wie jij zelf bent?
Keek je mij angstig aan,
En zei je niks terug.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten